Multidoeners: Jan Doense

Multidoeners is een serie longreads over het kronkelige creatieve pad van makers die op vele fronten actief zijn. Duizendpoten, multipotentialites, scanners, polymaths, meanderthalers: mensen die zich niet willen beperken op het gebied van werk maar veel verschillende banen en liefhebberijen naast of na elkaar hebben. Kijk vooral de TED-talk van Emilie Wapnick als je meer wil weten over multidoeners – over de dromen en twijfels van mensen die weigeren te kiezen, in een wereld die vindt dat je maar één passie mag omarmen en één duidelijke niche moet bedienen. Ben of ken je een multidoener en vind je het leuk om een interview te ondergaan? Neem vooral contact op.

Als eerste ‘doener’ sprak ik met Jan Doense (what’s in a name) festivaldirecteur van Film by the Sea. Andere banen op zijn CV zijn o.a. recensent, journalist, acteur, regisseur, producent en zakelijk leider. Zijn bijnaam is Mr. Horror, vanwege zijn grote liefde voor dit genre: hij stampte festivals als Imagine en Nacht van de Wansmaak uit de grond, de productiemaatschappij House of Netherhorror en ook een Nederlandse streamingdienst gewijd aan thrillers en horrorfilms (Fear Unlimited, helaas dit jaar gestopt).

Voor zijn werk voor de Nederlandse filmsector werd hij benoemd tot Ridder in de Orde van Oranje Nassau. Jan is de komende jaren verbonden aan Film by the Sea, het eigenzinnige filmfestival in Vlissingen met een grote liefde voor boekverfilmingen. Tien dagen, honderd films. Thuishaven CineCity is één van de weinige bioscopen ter wereld met een inpandige bibliotheek. Dit jaar kun je een indoor drive-in beleven in de historische machinefabriek, films kijken op een veerboot. En klassieker The Phantom of the Opera zie je in een kerk, met een kerkorgelconcert als filmmuziek. Ik ontmoette Jan in het Cinecafé, toen corona nog nauwelijks in zicht was.

“Ik vond het fantastisch om vooraan te staan, die magie van heel dichtbij te ervaren en vast te leggen”

Was film je grote jeugdliefde?
Ik was eigenlijk een jongen die altijd zat te tekenen. Mijn tekenleraar moedigde me aan om mijn eigen pad te volgen en dat was cartoons maken. Iedereen was er van overtuigd dat tekenen wel mijn beroep zou worden. Maar toen ontdekte ik film en heb ik tekenen eigenlijk achter me gelaten. Toen ik een vervolgstudie moest kiezen na het gymnasium besloot ik om rechten te gaan studeren. Omdat je toch iets nuttigs moet doen, zoals je ouders altijd zeggen. Maar mijn rechtenstudie verliep heel traag. Ik ben een langzame lezer, van nature heel snel afgeleid. En dan ga je rechten studeren, misschien wel één van de saaiste studies die er zijn. Gelukkig kon je destijds nog heel lang over een studie doen. En was er ook ruimte om er van alles naast te ondernemen. Tijdens mijn rechtenstudie begon ik filmrecensies te schrijven. Want ik had ontdekt dat er gratis persvoorstellingen waren. En dat je dus voor nop naar de film kon, als er een stukje over schreef. Ik was een tijdje heel serieus bezig met recenseren en filmjournalistiek voor bladen als Scoop en de Filmkrant. Maar toen groeide ook het besef dat ik liever films wilde maken dan er de rest van mijn leven over te schrijven. Toen ben ik van studie gewisseld en overgestapt naar de Filmacademie.

Foto: Joao Carlos Rodrigues

Wat wilde je daar leren, doen?
Ik had een foolproof masterplan bedacht. Zo snel mogelijk afstuderen, cum laude. Zodat ik een beurs zou krijgen. En daarmee wilde ik naar UCLA, waar John Carpenter had gestudeerd. Dat was een held van me. En mijn Nederlandse voorbeeld was Pieter Jan Brugge, een producent die het precies zo had gedaan als ik voor ogen had. Ik wilde dolgraag regie en scenario doen, maar daar werd ik niet op aangenomen. Dat was best een deceptie. Toen ik het daarna nog een keer probeerde deed ik dat via een truc. Ik gaf me op voor productie en als ik dan aangenomen was, dan zou ik switchen van studierichting om alsnog regisseur te worden. Maar helaas was ik na drie maanden Filmacademie al zo depressief geraakt dat ik daar echt weg moest. Die opleiding was dodelijk voor mijn enthousiasme, mijn inspiratie. Ik troostte me met de gedachte dat andere filmmakers die ik bewonderde allemaal een eigen weg hadden gevonden. Zonder filmopleiding. Misschien kon ik dat ook wel.

Dus ik stopte met de Filmacademie en pakte mijn rechtenstudie weer op, die ineens een stuk uitdagender en inspirerender was. En ik probeerde om werk te vinden bij Nederlandse filmmakers als Dick Maas en Laurens Geel. Ik deed freelance publiciteitswerk voor hun productiemaatschappij First Floor Features en werd later persoonlijk assistent van de producenten bij Flodder in Amerika. Moest ik de raarste dingen regelen. Zo leerde ik hoe de praktijkwereld van film maken werkte. Ondertussen was ik ook begonnen met kleine filmfestivals, speciaal voor de films die ik zelf het allerleukste vond: horror, fantasy, een piepklein beetje science fiction. Die genres verdienden een eigen festival, vond ik. Ondertussen bleef ik wel contact houden met vrienden van de filmacademie en werd ik producent van videoclips, korte films en uiteindelijk ook speelfilms. Ik maakte me nuttig als producent en pleitbezorger van genrefilms. En ik ben er nu heel blij mee dat mijn Hollywood-jeugddroom is mislukt. Want ik weet hoe het daar werkt, het is een bizarre, tamelijk ongezonde wereld die niet echt bij mij past.

En dan ben je ineens festivaldirecteur in Vlissingen, van Film by the Sea.
Gek genoeg voelt dat comfortabeler dan mijn eigen festival, Imagine, dat ik toch vanaf de grond heb opgebouwd. Maar dat was altijd een gevecht tegen de klippen op, we moesten elk jaar weer mensen overtuigen. Ik heb nooit echt meegemaakt dat iedereen dat festival omarmde. En dat merk ik hier bij Film by the Sea wel. Het is een warm bad met een fantastisch team, een festival voor een breed publiek. Mensen spreken me op straat aan om over films en het festival te praten. En dat is eigenlijk heel prettig, voor de verandering: om met iets bezig te zijn waar iedereen meteen enthousiast over is.

En je horrorfascinatie?
Vorig jaar vertoonden we de filmklassier Nosferatu, met live muziek. Die viel trouwens ook onder de noemer boekverflmingen, want het is een illegale adaptatie van Bram Stoker’s Dracula. En we lieten Jaws zien op het strand, één van mijn favoriete films. Zaten er ineens 750 mensen aan zee naar een klassieke monsterfilm te kijken. Dit jaar hebben we The Phantom of the Opera uit 1925, in de  monumentale Sint Jacobskerk. Begeleid door kerkorgelklanken van Geert Bierling, stadsorganist van Rotterdam.

Wat heb je veranderd of toegevoegd aan Film by the Sea?
Het festival staat als een huis, maar vorig jaar hebben we iets meer ruimte gegeven aan documentaires en late night movies. Daar gaan we mee door, ook voor educatie gaan we plannen maken. Iedereen heeft nu een smartphone op zak. Een filmpje is snel gemaakt. Maar wat is nu die impact van al dat bewegende beeld? Het is goed om meer aandacht te schenken aan mediawijsheid. En aan het ambachtelijke aspect van film. Want als je op een leuke manier leert hoe iets in elkaar steekt word je misschien wel sneller verliefd. Ik had op de lagere school een muziekleraar die heel mooi klassieke stukken kon ontrafelen. Dat deed hij soms als een detective, soms als chirurg. Als ik nu bijvoorbeeld de Italiaanse Symfonie van Mendelssohn hoor, dan beleef ik nog steeds het plezier van dat ene verborgen melodielijntje waar die leraar ons op wees.

Wat vind je van het culturele klimaat in Zeeland?
Ik mocht meteen meeschrijven aan de gezamenlijke wensen en ambities van de sector. Hier in Zeeland valt nog te pionieren en dat is echt een kans. Er is hier geen kunstacademie, dus jonge makers moeten hier weg om een opleiding te doen. Maar je hebt hier wel massa’s rust en ruimte. Ik kan me goed voorstellen dat het voor kunstenaars heel prettig is om in een retraite-achtige situatie te komen. Even weg van de hectiek van de grote stad, een plek waar je ongestoord je ding kunt doen. Er is hier een groot en trouw publiek dat erg geïnteresseerd is in kunst en cultuur. Maar het publiek is in de meeste gevallen geen maker. En die makers kunnen hier lastig wortel schieten omdat er geen overkoepelende faciliteiten zijn. Ik wil zeker meewerken aan het ontwikkelen van een goed platform, een super-broedplaats. Die alle disciplines in kunst en cultuur vooruit kan helpen.

Is FBTS je enige bezigheid op dit moment?
Het directeurschap is een parttime functie, maar slokt wel veel meer uren op. Überhaupt een beetje bijblijven op het gebied van nieuwe films is eigenlijk al een fulltime baan. Ik merk wel dat ik eventuele extra tijd extra goed benut. Ik heb een documentaire geproduceerd over Dick Maas. En heb vorig jaar een expositie beleefd van mijn concertfoto’s. Dat waren foto’s die ik als piepjonge fotograaf heb gemaakt van mensen als David Bowie en Iggy Pop. Ik woonde vlakbij Paradiso en de Melkweg, dus daar kwam ik graag en vaak. En ik vond het fantastisch om vooraan te staan, die magie van heel dichtbij te ervaren en vast te leggen. Het was kleinbeeld zwart-wit fotografie, zowel de filmrolletjes als het afdrukken waren ontzettend duur. Ik had er nooit het geld voor om er serieus iets mee te doen. Maar nu bestaan er fantastische digitale oplossingen. Het vooruitzicht van een expositie was de perfecte stimulans om iets met die oude foto’s te doen. Een vriend hielp met het oppeppen van die foto’s, het was net alsof we in een montagekamer zaten. Er ging echt een tijdcapsule open.

Je hebt zowel voor- als achter de schermen gewerkt, in leidende en dienende rollen. Zit daar een bepaalde logica in, een samenhang?
Ik ben vaak gaan doen wat er miste: ik wilde een bepaald soort festival, en aandacht en geld voor dwarse Nederlandse films. Dus stelde ik vragen, schudde handjes en vroeg om hulp. Omdat ik in kringen verkeerde van kunstenaars die dat niet zo snel deden. Ik kon het voor ze doen. Dat scheelde al veel. Ik ben dit jaar zestig geworden en aan dat idee ben ik nog niet helemaal gewend. Maar als ik voorzichtig de balans opmaak, dan is de rode draad in alles wat ik doe en gedaan heb wel de lol van het maken. Samen met eigenzinnige vaklui. Films over, voor en door bevlogen mensen. Waarin iedereen elkaar hielp en ook z’n eigen ei kwijt kon. Ik zie nu diverse ambitieuze Nederlandse producenten die alleen maar met hun eigen ding bezig zijn. Met als enige drijfveer hoe ze daar een dik belegde boterham aan kunnen verdienen. Die stippelen een rechte lijn uit en zijn bikkelhard in hun keuzes. Dat zijn producenten die ik weliswaar bewonder om hun werk, maar die ik als mens wat minder hoog heb zitten. Ik heb het altijd belangrijk gevonden dat de mensen die ik zeg maar voor mijn karretje spande, daar zelf ook iets goeds aan over hielden. Goed werk konden doen. Het was een kronkelig pad. En juist door zoveel mogelijk vrijheid te geven aan vakmensen konden we mooie dingen maken. Dat je elkaar naar een hoger plan tilt.

Nog creatieve plannen voor de nabije toekomst?
Misschien ben ik nu wel op een punt beland dat ik niet perse speelfilms hoef te maken om mijn ei kwijt te kunnen. Met foto’s ging het ook. En ik beleefde dezelfde magie en lol bij het maken van mijn documentaire, Cheesehead Blues. Die heb ik met een crew van drie mensen gemaakt in Mississippi, de bakermat van de blues. De zangers en muzikanten van toen vallen bij bosjes om. Dus we hebben niet op distributie of een opdracht gewacht maar zijn gewoon gaan filmen. We hadden één vraag: ‘can a white man have the blues?’. En we vonden daar een Nederlander met een eigen bluesmuseum. Deze Theo Dasbach kende iedereen uit de scene. En dan zit je ineens in de woonkamer van je held: T-Model Ford. We hebben vooral gefilmd in Clarksdale, Mississippi. Dat stadje is een economisch wonder. Je zit in de armste staat van de VS maar Clarksdale doet het goed. En dat komt allemaal door het bluestoerisme, dat werkt in alles door. Clarksdale is straat voor straat opgeknapt, met veel restaurantjes en hotels. Met als spin in het web een markante Nederlander. Dat ontdekten we eigenlijk pas toen we aan het editen waren en mijn editor Ot Louw zijn eerste ruwe versie had gemaakt. Door zijn inzicht en vakmanschap herontdekte ik mijn eigen film. En dat is echt het allermooiste: werken met mensen die hun vak tot in de puntjes beheersen. Die kunnen spelen met ritme en sfeer. En dat wat je vrij lukraak hebt gedaan, transformeert dan ineens tot een gedeelde liefde voor muziek. Die een stadje nieuw leven kan geven.  

Film by the Sea vindt dit jaar plaats 11 tot en met 20 september 2020 door heel Zeeland, maar is ook vanuit huis te beleven via filmdienst Picl.

Trailer van Cheesehead Blues.

Korte films van Jan Doense.

Ben of ken je een multidoener en vind je het leuk om een interview te ondergaan? Neem dan gerust contact op.